Landelijke studiedag: “Herodotus en het Perzische Rijk”

De jaarlijkse studiedag gaat door op zaterdag 19 maart 2016 in Zwolle.

Programma Voormiddag (leden):
10:30 – 11:00 uur: ontvangst met koffie
11:00 – 12:00 uur: Algemene Ledenvergadering
12:00 – 13:00 uur: Lunch

Programma Namiddag (leden en niet-leden)

13:00 – 13.55 uur: Dr. Wouter Henkelman (École Pratique des Hautes Études – mondes élamites et achéménides), Herodotus’ rationalisatie van orale motieven: Smerdis en de Apis, Darius en Cambyses.
14:00 – 14:40 uur: Prof. dr. Olaf Kaper (Universiteit Leiden), Het verdwenen leger van Cambyses in de Egyptische woestijn (Hdt. III 25-26). De opstand van Petubastis IV in 522 v. Chr. en de opgravingen in de Dakhla Oase
14:40 – 15:00 uur: Pauze
15:00 – 15.40 uur: Dr. Caroline Waerzeggers (Universiteit Leiden), De Babylonische opstand tegen Xerxes (484 v.Chr.).
15.45 – 16:25 uur: Prof. dr. Karel van der Toorn (Universiteit van Amsterdam), De lange arm van Artaxerxes I (465-404) in Elephantine en Juda.

Meer informatie kan je vinden op de website van Ex Oriente Lux Nederland

Lezing: 16 maart 2016

Vroege oriëntalisten: Florent Mols en Jacob Jacobs in Egypte en de Levant (1838-1839)

Dr. Eugène Warmenbol (Université libre de Bruxelles)

« Jacob Jacobs nous a rapporté de son voyage en Orient plusieurs souve-nirs », schrijft een kunstcriticus in 1847. « Ces toiles offrent toutes les quali-tés que nous avons déjà constatées dans cet artiste. Mais nous n’osons ex-primer notre avis sur l’étrangeté de cette nature orientale, et nous ne pou-vons la juger par conséquent ».

Jacob Jacobs is, samen met zijn reisgezel, en stadsgenoot Florent Mols, de eerste, in België, die het « oriëntalisme » bedrijft. Hij wordt één van de besten in het genre; tot aan zijn dood in 1879 geeft hij les in « landschaps-schildering » aan de Academie van Antwerpen.

Onze lezing zal de nadruk leggen op de tekeningen uit twee schets-boeken die Jacob Jacobs tijdens zijn reis naar en in de Oriënt gebruikte, meer in het bijzonder tijdens de afdaling van de Nijl in februari-april 1839, schetsboeken recent herondekt ter gelegenheid van hun openbare verkoop in Parijs. Zoals Théophile Gautier het stelde: « s’astreindre à noter quoti-diennement ce qui se déroule sous les yeux » scherpt de blik, en sterkt het geheugen, wanneer die schetsen uiteindelijk, in het atelier, uitgewerkt worden tot grotere doeken. Zoals we aan de hand van een zeldzaam zicht op de Ramessidische stelae van Djebel Silsileh zullen kunnen aantonen, kan dat geheugen wel eens falen.

Het oriëntalistische landschap wordt bij Jacob Jacobs, maar ook bij Florent Mols, zeer beschrijvend beneol2aderd, haast literair, zoals ook bij een David Roberts of een William Müller, kunstenaars die onze Antwerpenaren in Egypte ontmoetten. Reizigers waren toen nog niet zo talrijk op de Nijl, en vormden een echte en hechte gemeenschap.

De mecenas van de twee schilders, Charles Stier d’Aertselaer, ook voor-aanstaand lid van de « Academie d’Archéologie d’Anvers » kocht tijdens de reis een aantal oudheden, o.a. een dodenpapyrus uit de XXIste dynastie, die in 1848 reeds aan de Stadsbibliotheek van Antwerpen geschonken werd. De « oudste » papyrus in Belgisch openbaar bezit…

Lezing: 10 februari 2016

Fenicische kunst: nieuwe vondsten en inzichten

Prof. Dr. Eric Gubel – KMKG & VUB

MSI, lokaal 1.28

Op basis van de nieuwste vondsten en bevindingen wordt ingegaan op de karakteristieken van enkele kunsttakken van de Fenicische beschaving die in het preklassieke verleden grote faam genoten tot in het Mediterrane Europa toe.

Handelsactiviteiten werkten een intense  wisselwerking in de hand tussen de steden op de Fenicische kust met Egypte, de Egeïsche wereld en de Bijbelse buurlanden die tot uitdrukking komt in de kunst. Architectuur en beeldhouwkunst, de productie van artefacten in (edel)metaal,  de ivoorbewerking, glas- en zegelkunst van de IJzertijden I en II komen allen aan bod.

Tevens wordt aandacht besteed aan producties die zich vooral op een vrouwelijke consumentenniche richtten.  De recente identificatie van enkele  specifieke vormen uit het repertoire van vaatwerk in steen en aardewerk  legt een verrassend Nachleben bloot in de islamitische wereld.

Als afsluiting wordt aan hand van meerdere voorbeelden een continuïteit geïllustreerd van voorouderlijke tradities  die in de Perzische Periode (IJzertijd III) voortleven, een fase die vaak onterecht als een stijlbreuk met het verleden wordt beschouwd.

KUL 12022016